Overslaan naar inhoud

De wet deel 3: artikel 7:18a lid 2 BW

25 augustus 2026 in
CLS Juristen
In onze vorige blogs bespraken wij artikel 7:17 en 7:18 BW, de wettelijke basis voor non-conformiteit en de aanvullende bepalingen bij consumentenkoop. Artikel 7:18a lid 2 BW bevat eveneens een belangrijke aanvullende regeling voor consumentenkoop: het wettelijke bewijsvermoeden. In deze blog bespreken wij hoe dit bewijsvermoeden werkt.

Lid 2: het bewijsvermoeden
Artikel 7:18a lid 2 BW bepaalt dat, als de afwijking zich binnen één jaar na aflevering openbaart, bij consumentenkoop wordt vermoed dat die afwijking al bij aflevering aanwezig was. Dit wordt in de praktijk ook wel aangeduid als de ‘wettelijke garantie’ van twaalf maanden. De verkoper krijgt op zijn beurt de mogelijkheid om het tegendeel te bewijzen. Hij zal dan moeten aantonen dat de afwijking bij aflevering nog niet aanwezig was.

Wat moet de koper bewijzen?
Het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW betekent niet dat een consument bij ieder probleem binnen twaalf maanden automatisch recht heeft op kosteloos herstel. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit verduidelijkt in de uitspraak in de zaak tussen Froukje Faber en Autobedrijf Hazet Ochten. De koper moet stellen en, bij betwisting, bewijzen dat sprake is van een afwijking (gebrek). Ook moet de koper indien nodig bewijzen dat het gebrek zich binnen twaalf maanden na aflevering heeft geopenbaard.

Wat moet de verkoper bewijzen?
Wanneer de koper heeft aangetoond dat sprake is van een gebrek dat zich heeft geopenbaard binnen twaalf maanden na aflevering, geldt het bewijsvermoeden. Dan wordt vermoed dat deze afwijking al bij aflevering aanwezig was. Als de verkoper van mening is dat dit niet het geval is, ligt de bal bij hem: hij moet dan genoegzaam bewijzen dat het gebrek het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een omstandigheid die zich na de aflevering heeft voorgedaan.

De Hoge Raad heeft dit in 2021 bevestigd. Het enkele ontzenuwen van het bewijsvermoeden is niet voldoende: de verkoper moet daadwerkelijk bewijs leveren van het tegendeel.

Waarom is het bewijsvermoeden zo belangrijk?
Bij een geschil over een tweedehands auto kan het lastig zijn om achteraf vast te stellen wanneer een gebrek precies is ontstaan. Een technisch probleem kan zich immers pas na aflevering duidelijk openbaren, terwijl de oorzaak hiervan mogelijk al eerder aanwezig was.

Het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW zorgt ervoor dat de bewijslast bij consumentenkoop gedurende het eerste jaar niet volledig bij de consument ligt. Wanneer het bewijsvermoeden van toepassing is, is het aan de verkoper om te bewijzen dat het gebrek bij aflevering nog niet aanwezig was. Er is dan dus sprake van een omkering van de bewijslast.

Dat betekent overigens niet dat het verzamelen van bewijs niet nodig is. Ook wanneer het bewijsvermoeden van toepassing is, blijft het verstandig om klachten, diagnoses, correspondentie en andere relevante informatie goed vast te leggen.

Problemen met een tweedehands auto?
Heeft u kort na aankoop problemen met uw tweedehands auto en twijfelt u welke partij wat moet bewijzen? Dan kan het verstandig zijn om tijdig juridisch advies in te winnen.

Via deze link kunt u een gratis en vrijblijvend adviesgesprek aanvragen. Tijdens dit gesprek beoordelen wij onder meer:
- Hoe sterk uw juridische positie is;
- Welke rechten u mogelijk heeft;
- Welke stappen verstandig zijn;
- Wat wij voor u zouden kunnen betekenen.

Bronnen
- Artikel 7:18a lid 2 BW;
- HvJ EU 4 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:357 (Froukje Faber/Autobedrijf Hazet Ochten);
- Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666.